gelezenStaatspsychiatrie, wurgcontracten en datakerkhoven

JimJim van Os fileert de DSM-5 en de GGZ

Hij had zitting in een van de werkgroepen die de DSM-5 voorbereidde, maar dat weerhield hem er niet van een boek te schrijven met de titel ‘Persoonlijke diagnostiek in een nieuwe GGZ. De DSM-5 voorbij!’

—We doen patiënten tekort
Psychiater Jim van Os (Universiteit Maastricht), een groot pleitbezorger van een ‘werkelijke dialoog’ in de psychiatrie, heeft een volstrekt heldere opvatting over de vijfde versie van het Handboek voor de psychiatrie: het is ‘een cultureel fenomeen op zijn laatste been’. De DSM-5 gaat voort op een doodlopende weg, omdat het rangschikken en herschikken van classificatiecriteria individuele patiënten geen recht doet, zegt Van Os. Elke patiënt is immers ietsje anders dan de anderen.

—We weten heel weinig van de relatie tussen brein en geest 
Hij pleit er daarom voor de ruim 300 tekort schietende classificaties in de DSM-5 te vervangen door vijftien syndromen. Een correcte subcategorie bedenken voor elke individuele patiënt is onmogelijk, maar ook onnodig; het gaat erom de psychiatrie zo in te richten dat elke patiënt een behandeling krijgt waarmee hij uit de voeten kan. Om dat te kunnen realiseren, moeten professionals zich bescheiden opstellen. De relatie tussen brein en geest is complex, en de kennis erover vertoont veel gaten. Omdat, aldus Van Os, in de psychiatrie het niet-weten overheerst, pleit hij voor een vragende diagnostiek. ‘De patiënt dient met een bescheiden, vragend-belangstellende houding tegemoet te worden getreden, en niet met een hoofd vol halve kennis over DSM-hersenziekten’, vindt hij. Want dat is wat nu gebeurt, en daar schieten patiënten niets mee op. Patiënten hebben geen behoefte aan een DSM-label dat hun ervaringen reduceert tot een uniforme categorie, maar aan het vertellen van hun eigen, unieke verhaal.

—We behandelen de verkeerde mensen
De kritiek van Van Os is niet mals. Op het handboek, dat zijn doel voorbij schiet. Op zijn collega’s, die zich er tegen beter weten in toch op verlaten. Op de overheid en de zorgverzekeraars, die een classificatiesysteem dat bedoeld is om het vocabulaire van psychiaters te stroomlijnen, nu inzetten als ‘een wapen tegen patiënten en hulpverleners’. Hij hekelt de ‘mislukte marktwerking’ die heeft geleid tot overbehandeling van lichte problematiek, en onderbehandeling van mensen met ernstige psychische aandoeningen: ‘Voor de behandeling van verslaving wordt in Nederland nu meer uitgegeven dan voor de behandeling van psychotische stoornissen. Ik denk niet dat er een land ter wereld is dat ons dat nadoet.’

—We behandelen patiënten op de verkeerde manier 
Ook kritiseert Van Os de grootschaligheid in de GGZ die een ‘miljardenindustrie’ is geworden, gerund door managers die weinig voeling hebben met patiëntenzorg en vooral geïnteresseerd zijn in sturing, omzet, controle en branding. Behandelingen zijn bovendien gericht op de onderdrukking van symptomen, niet op het leren omgaan met de eigen kwetsbaarheid, zegt hij. Hij veroordeelt dan ook het biologisch reductionisme in de psychiatrie, waarbij psychisch lijden in de eerste plaats wordt gezien als een ‘hersenziekte’. Patiënten zijn volgens deze redenering willoze slachtoffers van moleculaire processen in hun brein, in plaats van dragers van ervaringen waarmee ze (mogelijk) kunnen leren omgaan.

—Er is een alternatieve aanpak mogelijk 
Van Os deelt rake klappen uit en schuwt forse termen niet. Hij heeft het over ‘datakerkhoven’, ‘staatspsychiatrie’ en ‘wurgcontracten’ – en als je het leest, niet zonder reden. Hij stelt ook een alternatief voor, waarin een belangrijke rol is weggelegd voor e-GGZ, zelfmanagement van patiënten, regionale budgettering op basis van epidemiologische gegevens over regionale zorgbehoeften, en samenwerking in regionale netwerken.

— Prullenbak of bureaula? 
Of dat ook moet impliceren dat de DSM de prullenbak in moet, vraag ik me af. De Nederlandse vertaling van de DSM-5 die woensdag 9 april wordt gepresenteerd, luidt: ‘Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen’ (mijn cursivering). Een titel die, eindelijk, het misverstand de wereld uithelpt dat in het handboek echte ziekten worden beschreven. Misschien is het goed de DSM-5 in een lade te bewaren en zo nodig te gebruiken als een checklist achteraf, in plaats van als een afvinklijstje dat voorafgaat aan het gesprek tussen patiënt en hulpverlener. Dan krijgt het handboek de nuttige, maar bescheiden plek in het hulpverleningsproces die het verdient.

Persoonlijke diagnostiek in een nieuwe GGZ. De DSM-5 voorbij!’ Door Jim van Os. Diagnosis Uitgevers, Leusden 2014. 224 pgs, €30,-